Resultaten Arbeidsmarktenquete

Jonge Wetenschappers

Juni 2000
 
 

naar inhoudsopgave
 
 
 

Drs. Boukje S.C. Keijzer

Dr. Ernestine H. Gordijn









Een initiatief van:

Ondernemingsraad Projectmedewerkers NWO

Landelijk AIO en OIO Overleg

Gefinancierd door NWO



 

Inhoudsopgave
 
1. Verantwoording 3
2. Samenvatting en conclusies 5
3. Respondenten totaal 7
4. Verschillen tussen promovendi en postdocs 12
5. Verschillen tussen respondenten van verschillende wetenschapsgebieden 16
6. Sekseverschillen onder promovendi 21
7. Keuzeverschillen in werkgever onder promovendi 24
8. Sekseverschillen onder promovendi van verschillende wetenschapsgebieden 26
Alfa wetenschappers 26
Bèta wetenschappers 28
Gamma wetenschappers 30
Medische wetenschappers 32
   
Bijlage 1: Begeleidingsbrief Enquete 34
Bijlage 2: Enquete 35

 

1. Verantwoording

In dit verslag vindt u de resultaten van de arbeidsmarktenquete die door de Ondernemingsraad Projectmedewerkers van NWO (ORP) en het Landelijk AIO en OIO Overleg (LAIOO) is gehouden onder jonge wetenschappers. Met dit onderzoek wilden we een beeld krijgen van de ambities die jonge wetenschappers hebben op het gebied van hun toekomst op de arbeidsmarkt. Er is eerder wel onderzoek gedaan naar de werkterreinen waar promovendi terecht komen na hun promotie, zoals de universiteit, onderzoeksinstellingen, de overheid, het bedrijfsleven of non-profitinstellingen, maar deze cijfers zeggen weinig over waar jonge wetenschappers terecht zouden willen komen. De gegevens die u in dit verslag aantreft geven meer inzicht in de wensen en behoeften van jonge wetenschappers in relatie tot de arbeidsmarkt.

Respondenten zijn benaderd per post (alle NWO-projectmedewerkers) of per email, via een email sneeuwbalactie die geïnitieerd is vanuit het LAIOO, het Landelijk PostdocPlatform en de ORP (zie Bijlagen 1 en 2). Dit heeft een zeer grote en brede steekproef opgeleverd. De manier van verspreiding is echter niet volledig willekeurig, waardoor de aantallen per universiteit of aanstellingsvorm geen directe afspiegeling vormen van de werkelijke verdeling. De verspreiding van de respondenten over de universiteiten en wetenschapsgebieden is echter vrij breed en de procentuele resultaten geven een betrouwbaar beeld van de opinies van betreffende wetenschappers. Aan het onderzoek deden geen buitenlandse promovendi mee, mede omdat de vragenlijst in het Nederlands gesteld was. Het onderzoek is gefinancierd door NWO. De analyses zijn uitgevoerd door twee leden van de ORP die ervaring hebben met dit soort survey-onderzoeken.

In dit verslag wordt eerst een samenvatting gegeven van de belangrijkste resultaten. Deze zijn verder uitgewerkt in de daarop volgende hoofdstukken. Hierin zijn naast de gemiddelden voor alle respondenten ook de resultaten verwerkt van het onderscheid tussen promovendi en postdocs en mensen van verschillende wetenschapsgebieden (alfa's, bèta's, gamma's en medische wetenschappers). Daarnaast worden meerdere analyses gepresenteerd waarbij alleen promovendi zijn meegenomen. Hierbij gaat het om analyses van sekseverschillen, verschillen tussen promovendi die de universiteit willen verlaten en zij die juist willen blijven werken bij de universiteit en sekseverschillen per wetenschapsgebied.

Door afronding kunnen opgetelde percentages soms iets hoger dan 100% uitvallen. Ook kan het totale aantal respondenten soms anders zijn dan het aantal mensen dat een antwoord heeft gegeven op een bepaalde vraag, omdat niet alle vragen door iedereen beantwoord zijn. Tevens dient men er rekening mee te houden dat de resultaten betrekking hebben op meningen van respondenten zoals gegeven op een door ons opgestelde vragenlijst. De vragenlijst kan hen belemmerd hebben in het weergeven van hun feitelijke mening en hun mening hoeft niet altijd een waarheidsgetrouwe afspiegeling te zijn van de feitelijke situatie.

Wij danken NWO voor de beschikbaar gestelde financiële middelen en de leden van de ORP en het LAIOO voor hun bijdragen aan de ontwikkeling van de enquete. Speciale dank gaat hierbij uit naar Janneke Timmerman als lid van de arbeidsmarktcommissie van de ORP, MayMay Meijer van Het LAIOO en Jaap Ham van de ORP voor het creëren van de elektronische versie van de enquete. Tot slot danken we de leden van de werkgroep Van Vucht Tijssen voor hun interesse, die ons extra gemotiveerd heeft om de resultaten op kortere termijn openbaar te maken.

Wij hopen dat de resultaten van dit onderzoek u boeiende en bruikbare inzichten biedt.

Voor vragen of opmerkingen kunt u terecht bij onderstaande onderzoekers.

Drs. Boukje S.C. Keijzer

Dr. Ernestine H. Gordijn

Vakgroep Sociale Psychologie

Universiteit van Amsterdam

Roetersstraat 15

1018 WB Amsterdam

telefoon: 020 - 525 6869

email: sp_keijzer@macmail.psy.uva.nl

email: sp_gordijn@macmail.psy.uva.nl

2. Samenvatting en conclusies

In totaal namen 1697 mensen deel aan het onderzoek, waarvan 876 mannen en 808 vrouwen, met een gemiddelde leeftijd van 29 jaar. De respondenten waren breed verdeeld over alle universiteiten, met relatief veel mensen van de Universiteit Utrecht. De verdeling over de wetenschapsgebieden was niet helemaal gelijkmatig, maar per deelgebied waren er voldoende respondenten om vergelijkingen te trekken.

Op basis van de resultaten van de enquete kan geconcludeerd worden dat de meeste jonge wetenschappers een carrière binnen de universiteit ambiëren, omdat ze de inhoudelijke aspecten van het werk het aantrekkelijk en belangrijk vinden. Hoewel men erg ontevreden is over de financiële en maatschappelijke waardering van het werk, spelen deze factoren een kleinere rol bij de keuze voor een universitaire loopbaan. Voor mensen die ervoor kiezen om de universiteit te verlaten spelen deze factoren juist wel een belangrijke rol. Helaas schat meer dan de helft van de respondenten hun kansen op de arbeidsmarkt laag in. Dit lijkt vooral te komen door het geringe aantal beschikbare posities aan de universiteit.

De analyses met betrekking tot verschillen tussen promovendi en postdocs geven aan dat voor postdocs een universitaire loopbaan eigenlijk de enige vanzelfsprekende keuze is. Voor promovendi is het bedrijfsleven ook een aantrekkelijke optie. Deze verschillen in loopbaanambities zijn waarschijnlijk ook verantwoordelijk voor de positievere verwachtingen van promovendi ten aanzien van hun kansen op de arbeidsmarkt in vergelijking tot postdocs. De ontevredenheid van promovendi over hun inkomen en het grote belang dat zij hechten aan financiële en maatschappelijke waardering ligt waarschijnlijk ten grondslag aan hun grotere voorkeur voor het bedrijfsleven als toekomstige werkgever.

Opvallend aan de resultaten met betrekking tot verschillende wetenschapsgebieden is dat bèta wetenschappers beduidend meer tevreden zijn over de financiële en maatschappelijke waardering die zij ontvangen voor hun werk. Dit is niet verwonderlijk, aangezien bèta wetenschappers zowel wat betreft hun inkomen als hun ondersteunende budgetten over meer geld kunnen beschikken. Hun tevredenheid over hun hogere maatschappelijk status is waarschijnlijk een gevolg van het feit dat zij vaker een volwaardige aanstelling als onderzoeker hebben. Alfa's zijn relatief zeer ontevreden over hun carrièreperspectieven en schatten hun kansen op een baan van hun voorkeur lager in, hetgeen mogelijk een gevolg is van het relatief grote aandeel postdocs in deze groep. Een ander opvallend resultaat is dat voor bèta's en medische wetenschappers het bedrijfsleven een aantrekkelijke tweede optie is, terwijl alfa en gamma wetenschappers meer kansen zien bij de overheid en non-profit organisaties. Deze verschillen in voorkeur voor werkgevers weerspiegelen zich in het grotere belang dat bèta's en medische wetenschappers hechten aan een goed salaris en het belang dat alfa's en gamma's (samen met medische wetenschappers) hechten aan het maatschappelijke belang van hun werk.

De resultaten met betrekking tot sekseverschillen onder promovendi geven aan dat mannen financiële aspecten en carrièreperspectieven belangrijker vinden dan vrouwen, die juist meer belang hechten aan de sociale aspecten van het werk, zoals samenwerking, het leveren van een maatschappelijke bijdrage en de mogelijkheid om zorg en werk te combineren. Dit weerspiegelt zich ook in hun keuze voor de overheid of een non-profitorganisatie boven het bedrijfsleven. Opvallend is dat vrouwen hun kansen op een baan van hun eerste keuze veel lager inschatten dan mannen. Waarschijnlijk is dit omdat zij hun schattingen meer baseren op basis van het aantal beschikbare posities, terwijl mannen meer overtuigd zijn van hun eigen kunnen.

Uit de resultaten met betrekking tot verschillen in werkgeverkeuze van promovendi kan geconcludeerd worden dat mensen die voor de universiteit als werkgever kiezen dit vooral doen op grond van de inhoudelijke aspecten van het werk. Mensen die de universiteit willen verlaten lijken dit vooral te doen op grond van de geringe financiële en maatschappelijke waardering voor het werk aan de universiteit. Wederom blijkt dat arbeidsmarktkansen buiten de universiteit hoger ingeschat worden dan binnen de universiteit. Deze lagere inschatting van de kansen op een baan aan de universiteit is vooral gebaseerd op het geringe aantal beschikbare posities.

Op basis van de analyses met betrekking tot sekseverschillen binnen de verschillende wetenschapsgebieden kan geconcludeerd worden dat de eerder gevonden algemene sekseverschillen gedeeltelijk herleid kunnen worden tot verschillen tussen wetenschapsgebieden. Opvallend is echter wel dat als er verschillen zijn tussen mannelijke en vrouwelijke promovendi, de vrouwen minder tevreden zijn dan de mannen. Onafhankelijk van sekse, wetenschapsgebied of aanstelling blijft duidelijk dat jonge wetenschappers de voorkeur geven aan een baan binnen de universiteit. Non-profit organisaties vormen voor vrouwen van alle wetenschapsgebieden een eerste alternatief. Al variëren de specifieke factoren die van invloed zijn op de keuze voor een werkgever per wetenschapsgebied, geconcludeerd kan worden dat mannen in het algemeen meer belang hechten aan de financiële aspecten van een baan en vrouwen aan de sociale aspecten ervan. Ook schatten vrouwen hun kansen op een baan van eerste voorkeur in het algemeen lager in dan mannen, behalve bij de medische wetenschappers.
 
 

3. Respondenten totaal

In totaal namen 1697 mensen deel aan het onderzoek, waarvan 876 mannen (52%) en 808 vrouwen (48%). Gemiddelde leeftijd is 29 jaar (variërend van 22 tot 54 jaar). De meeste respondenten zijn in 1997, 1998 of 1999 begonnen met hun aanstelling (beginjaar variërend van 1988 tot 2000) en zullen in 2002 of 2001 hun project afronden (eindjaar variërend van 1994 tot 2005). Van de respondenten hebben 890 (53.3%) mensen nog meer dan twee jaar te gaan in hun aanstelling en 781 (46.7%) mensen zullen binnen twee jaar hun project afronden.

In onderstaande tabel is te zien hoe de respondenten verdeeld zijn over de verschillende aanstellingsvormen. Van de 1384 promovendi zijn er 803 aio, 505 oio, 40 bursaal en 46 junior onderzoeker of promovendus. Dit is verreweg de grootste categorie, hetgeen ook de opzet van de enquete was. Onder de categorie 'Divers' vallen wachtgelders en mensen die niet onder de andere aanstellingsvormen te categoriseren waren.

De respondenten zijn breed verdeeld over de universiteiten, met relatief veel mensen van de Universiteit Utrecht. Voor de indeling in wetenschapsgebieden zijn de NWO gebiedsbesturen aangehouden. De verdeling over de wetenschapsgebieden is niet helemaal gelijkmatig, met relatief veel bèta's en weinig alfa's. De categorie 'Anders' bestaat voornamelijk uit mensen die onder meerdere wetenschapsgebieden vallen.
 
 
 
Aanstellingsvorm
n
%
Promovendus
1384
82.6
Postdoc
186
11.1
Toegevoegd onderzoeker
40
2.5
Gedeeltelijk docent
22
1.4
Ondersteunend personeel
9
.6
Divers
35
2.2
Universiteit
n
%
Universiteit Utrecht
367
21.6
Universiteit van Amsterdam
146
8.6
Universiteit Nijmegen
145
8.5
Technische Universiteit Delft
134
7.9
Universiteit Maastricht
113
6.7
Vrije Universiteit
112
6.6
Universiteit Leiden
111
6.5
Landbouw Universiteit Wageningen
110
6.5
Rijksuniversiteit Groningen
101
6.0
Erasmus Universiteit
100
5.9
Technische Universiteit Twente
94
5.5
Technische Universiteit Eindhoven
59
3.5
Katholieke Universiteit Brabant
38
2.2
Instituut
42
2.5
Buitenlandse universiteit
4
.2
Wetenschapsgebied
n
%
Alfa (Geesteswetenschappen)
162
9.6
Bèta
671
41.7
Aard- en LevensWetenschappen
226
13.4
Chemische Wetenschappen
194
11.5
Exacte wetenschappen
165
9.8
Technische Wetenschappen
86
5.1
Gamma (Maatschappij- en GedragsWetenschappen)
464
27.6
Medische wetenschappen
311
18.5
Anders
75
4.5

 

Tevredenheid

Tevredenheid met aspecten van de aanstelling is gemeten op een schaal van 1 (helemaal niet tevreden) tot 7 (heel erg tevreden). De algemene tevredenheidsschaal (Tevredenheid totaal) bestaat uit de gemiddelde scores over alle aspecten en heeft een betrouwbaarheid van alpha=.80. De items zijn gerangschikt zodat de aspecten waar men het minst tevreden over is bovenaan staan.
 
Tevredenheid
gemiddelde
standaard deviatie
Salariëring
3.34
1.78
Carrièreperspectieven
3.94
1.66
Maatschappelijke status
3.99
1.45
Faciliteitenbudget
4.34
1.66
Kwaliteit scholing
4.39
1.38
Werkdruk
4.40
1.45
Onderzoeksbudget
4.59
1.57
Scholingsmogelijkheden
4.64
1.48
Begeleiding
4.73
1.66
Internationale uitwisselingsmogelijkheden
4.95
1.44
Mogelijkheden tot congresbezoek
5.19
1.44
Contacten met collega's
5.40
1.41
Intellectuele uitdaging
5.83
1.13
Intellectuele vrijheid
5.85
1.14
Zelfstandigheid
5.97
1.05
Flexibele werktijden
5.99
1.14
Tevredenheid totaal
4.85 
.75

Uit bovenstaande tabel blijkt dat jonge wetenschappers vooral ontevreden zijn over hun salariëring, status en carrièreperspectieven. De meest aantrekkelijke aspecten van het werk zijn de intellectuele vrijheid en uitdaging, de zelfstandigheid van het werk en de flexibele werktijden. Naast bovenstaande aspecten noemen 100 respondenten nog een ander aspect dat de tevredenheid beïnvloed heeft, zoals onder meer onderzoeksfaciliteiten (n=18), arbeidsomstandigheden (n=15), rechtspositie (n=13), mogelijkheden tot persoonlijke ontwikkeling (n=11), samenwerking (n=9), onzekerheid over de toekomst (n=9), waardering door anderen (n=8) en onderwijs geven (n=7).

Vaardigheden

Met betrekking tot vaardigheden kon men aankruisen of men een aantal voorgelegde vaardigheden had opgedaan tijdens de huidige aanstelling of niet. De percentages in onderstaande tabel geven aan hoeveel procent van de respondenten aankruist dat ze de betreffende vaardigheid heeft opgedaan. De totaalscore onderaan geeft aan hoeveel vaardigheden men gemiddeld aankruist. Opnieuw zijn de items geordend zodat de vaakst aangekruiste vaardigheden bovenaan staan.
 
Vaardigheden opgedaan
n
%
Specialistische kennis
1531
90.5
Onderzoeksmethoden
1170
69.2
Schrijven
1153
68.2
Presenteren
1086
64.3
Analytisch denken
1024
60.6
Onderwijs geven
766
45.3
Samenwerken
561
33.2
Leiding geven
407
24.1
Management en organisatie
333
19.7
Anders
137
8.1
Totaal aantal vaardigheden
4.75 (gem.)
1.93 (sd)

Hieruit blijkt dat men vooral specialistische en methodologische kennis opdoet tijdens de aanstelling. Daarnaast leert men (beter) schrijven, presenteren en analytische denken. Maar weinig mensen doen ervaring op met leiding geven en organiseren. Zoals uit de tabel blijkt geven 137 mensen aan dat ze ook nog andere vaardigheden hebben opgedaan: 93 mensen noemen algemene vaardigheden zoals zelfstandig werken, plannen en omgaan met stress, 12 mensen noemen internationale communicatie vaardigheden zoals het leren van Engels of Frans en het netwerken op congressen, 9 respondenten geven aan dat ze meer inzicht in politieke aspecten hebben gekregen, 10 mensen geven aan dat ze technische vaardigheden zoals programmeren hebben opgedaan en 8 mensen noemen het begeleiden van studenten als extra vaardigheid.

Rangorde werkgevers

Gevraagd werd om 7 mogelijke werkgevers te rangordenen op volgorde van voorkeur, waarbij 1 de hoogste voorkeur aangeeft en 7 de laagste voorkeur. In onderstaande tabel zijn naast de gemiddelde rangordening ook het aantal en percentage mensen genoemd dat de betreffende werkgever als eerste keus noemde. Hieruit blijkt dat de meeste respondenten als onderzoeker aan de universiteit willen blijven werken. Het bedrijfsleven is een duidelijke tweede keus. Het niet werken is voor de meeste mensen geen optie.
 
Rangorde
rangorde (gem.)
n eerste keus
% eerste keus
Universiteit
1 (1.86)
1017
60.6
Bedrijfsleven
2 (3.19)
335
20.2
Overheid
3 (3.44)
73
4.4
Non-profit organisatie
4 (3.65)
130
7.8
Onderwijs
5 (4.34)
34
2.1
Zelfstandig ondernemerschap
6 (4.75)
65
3.9
Geen werk
7 (6.65)
54
3.3

 

Invloed op rangorde

Er werd een aantal aspecten voorgelegd met de vraag aan te geven in hoeverre ze de rangordening beïnvloed hebben op een 7-puntsschaal, lopend van 1 (helemaal niet beïnvloed) tot 7 (heel erg beïnvloed). De items zijn in volgorde van invloed gezet met bovenaan de factoren die de meeste invloed hebben op de rangordening van werkgevers.
 
Invloed op rangorde
gemiddelde
standaard deviatie
Benutten van eigen vaardigheden
5.92
1.06
Intellectuele uitdaging
5.90
1.19
Zelfstandigheid
5.54
1.29
Samenwerking met anderen
4.70
1.58
Internationale contacten
4.50
1.80
Maatschappelijke bijdrage kunnen leveren
4.50
1.83
Carrièreperspectieven
4.47
1.78
Werktijden
4.43
1.74
Scholingsmogelijkheden
4.20
1.64
Werkdruk
3.63
1.63
Mogelijkheid tot combineren werk en zorg
3.60
2.01
Invloed hebben op beleid van organisatie
3.40
1.82
Maatschappelijke status
3.22
1.69
Salariëring
3.08
1.79

Hieruit blijkt dat inhoudelijke aspecten zoals het benutten van de opgedane vaardigheden, de intellectuele uitdaging en de zelfstandigheid het meest van invloed zijn op de keuze voor een werkgever. Maatschappelijke status en salaris worden van minder grote invloed geacht. Van de respondenten geven 151 personen aan dat ook andere aspecten van invloed zijn geweest op hun rangordening, zoals onder meer de inhoud van het werkterrein (n=33), de werksfeer (n=13), het soort aanstelling (vast, parttime) (n=13), de aantrekkelijkheid van het werk zelf (n=21), de behoefte om aan iets nieuws te beginnen (n=21), de afwisseling van het werk (n=13), het soort organisatie (n=12) of praktische overwegingen (n=12).

Kansinschatting

De kans op de baan van eerste voorkeur wordt gemiddeld ingeschat op 3.33 op een 5-puntsschaal (lopend van heel klein tot heel groot). 48.4% van de respondenten schat hun kansen hoger in dan neutraal (score 4 of 5). Respondenten geven aan dat hun kansschatting vooral is gebaseerd op het aantal beschikbare posities en in iets mindere mate op hun eigen kwaliteiten. 303 respondenten noemen hiernaast nog andere aspecten. Hiervan hebben 74 respondenten al een positie in het vooruitzicht, de rest baseert hun verwachtingen onder meer op hun netwerk (n=34), persoonlijke ambitie of wilskracht (n=33), praktische overwegingen (geld, planning) (n=38), opleiding of ervaring (n=38), ervaringen van anderen (n=15) of verwachtingen over de toekomst (n=25).
 
Kansinschatting
n
%
Hoge kansinschatting
813
48.4
Op basis van kwaliteiten
958
56.7
Op basis van posities
1192
70.5
Op basis van iets anders
303
17.3

Voorbereiding

Respondenten konden aangeven welke dingen ze doen om zich voor te bereiden op de arbeidsmarkt door een aantal alternatieven aan te kruisen. De percentages in onderstaande tabel geven aan hoeveel procent van de respondenten de betreffende voorbereidingen treft. De totaalscore onderaan geeft aan hoeveel verschillende voorbereidingen men gemiddeld aankruiste. De items zijn opnieuw geordend met de meest genoemde voorbereidingen bovenaan.
 
Voorbereiding
n
%
Onderzoek
1251
74.0
Vrijwillige cursussen
696
41.2
Netwerken
645
38.2
Vrijwillige extra cursussen
444
26.3
Verplichte cursussen
427
25.3
Onderwijs geven
374
22.2
Besturen
315
18.7
Anders
297
16.7
Totaal voorbereiding
2.46 (gem.)
1.38 (sd)

 

Om zich voor te bereiden op de arbeidsmarkt richten de meeste mensen zich op hun onderzoek. 297 respondenten noemen nog andere dingen die ze doen om zich voor te bereiden. 74 mensen hebben al een baan in het vooruitzicht en nog eens 16 mensen geven aan dat ze aan het solliciteren zijn. Verder geven 46 mensen aan dat ze actief bezig zijn buiten hun huidige aanstelling met bijbanen, verenigingswerk en andere extra-curriculaire activiteiten. 33 mensen zijn bezig met het schrijven van onderzoeksvoorstellen, 34 mensen zijn zich aan het oriënteren, 19 mensen doen extra onderzoek naast hun gewone onderzoek, 9 mensen zijn internationaal actief aan het netwerken en 18 anderen noemen het actief publiceren of lid zijn van een redactie als voorbereiding.

4. Verschillen tussen promovendi en postdocs

In totaal deden aan het onderzoek 1384 promovendi en 186 postdocs mee. Onder de promovendi zijn ongeveer evenveel mannen als vrouwen te vinden (691 respectievelijk 688). Van de postdocs is 65.9% man (n=122) en slechts 34.1% vrouw (n=63). Postdocs zijn significant ouder dan promovendi (gemiddeld ongeveer 7 jaar verschil). Postdocs hebben in hun aanstelling gemiddeld minder tijd voor zich dan promovendi, waarschijnlijk omdat postdocaanstellingen meestal korter zijn dan promotieaanstellingen.

De verdeling van promovendi en postdocs over de universiteiten is niet helemaal gelijk. Promovendi zijn vooral afkomstig uit Utrecht, postdocs komen daarnaast ook vaak van de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Leiden. Onder de postdocs zitten relatief veel alfa's en wat minder bèta's en gamma's. Onder de medische wetenschappers zijn relatief evenveel postdocs als promovendi.
 
Universiteit
promov.

n

promov.

%

Post

docs

n

Post

docs

%

Universiteit Utrecht
301
21.7
48
25.8
Technische Universiteit Delft
119
8.6
4
2.2
Universiteit van Amsterdam
114
8.2
23
12.4
Universiteit Nijmegen
111
8.0
17
9.1
Universiteit Maastricht
95
6.9
8
4.3
Landbouw Universiteit Wageningen
93
6.7
12
6.5
Vrije Universiteit
88
6.4
10
5.4
Erasmus Universiteit
88
6.4
7
3.8
Rijksuniversiteit Groningen
87
6.3
11
5.9
Technische Universiteit Twente
86
6.2
2
1.1
Universiteit Leiden
82
5.9
23
12.4
Technische Universiteit Eindhoven
51
3.7
-
-
Katholieke Universiteit Brabant
33
2.4
4
2.2
Instituut
26
1.9
11
5.9
Buitenlandse Universiteit
-
-
3
1.6

 
 
Wetenschapsgebied
promov.

n

promov.

%

Post

docs

n

Post

docs

%

Alfa (Geesteswetenschappen)
102
7.7
48
27.3
Bèta
577
43.6
63
35.8
Aard- en LevensWetenschappen
187
13.6
31
16.7
Chemische Wetenschappen
175
12.7
13
7.0
Exacte wetenschappen
143
10.4
10
5.4
Technische Wetenschappen
72
5.2
9
4.8
Gamma (Maatschappij- en GedragsWetens.)
394
29.8
29
16.5
Medische wetenschappen
250
18.9
36
20.5

 
 
 

Tevredenheid

In onderstaande tabel zijn de aspecten waarover men tevreden of ontevreden is opnieuw geordend met de minst aantrekkelijke aspecten bovenaan. De rangorde is gebaseerd op de gemiddelden van de promovendi. In de tabel staat ook de rangorde voor postdocs vermeld.

Indien promovendi en postdocs significant van elkaar verschillen op een item is dat aangegeven met sterretjes: * significant bij p < .05, ** significant bij p < .01.

Uit de tabel blijkt dat promovendi en postdocs in het algemeen even tevreden zijn over hun aanstelling. Promovendi zijn wel minder tevreden over hun salaris (ze verdienen ook beduidend minder). Postdocs zijn juist minder tevreden over hun carrièreperspectieven en de (kwaliteit van de) scholing. Ze zijn echter meer tevreden over de internationale uitwisselingsmogelijkheden.
 
 
 
Tevredenheid

(rangorde promovendi)

gem. Promo

vendi

gem. postdocs
Rang

orde postdocs

signific.
1. Salariëring
3.09
4.90
9
**
2. Maatschappelijke status
4.01
4.32
4
 
3. Carrièreperspectieven
4.11
2.65
1
**
4. Faciliteitenbudget
4.34
4.44
5
 
5. Kwaliteit scholing
4.43
4.18
3
*
6. Werkdruk
4.43
4.45
6
 
7. Onderzoeksbudget
4.56
4.80
8
 
8. Scholingsmogelijkheden
4.76
4.15
2
**
9. Begeleiding
4.77
4.68
7
 
10. Internationale uitwisseling
4.92
5.40
11
**
11. Congresbezoek
5.20
5.39
10
 
12. Contacten met collega's
5.44
5.44
12
 
13. Intellectuele uitdaging
5.83
5.98
14
 
14. Intellectuele vrijheid
5.84
6.04
15
 
15. Zelfstandigheid
5.96
6.12
16
 
16. Flexibele werktijden
6.01
5.93
13
 
Tevredenheid totaal
4.86
4.93
   

Vaardigheden

In onderstaande tabel is opnieuw het aantal en percentage mensen weergegeven dat de betreffende vaardigheid heeft aangekruist. De vaardigheden zijn geordend op basis van de gemiddelden van de promovendi.

Promovendi doen tijdens hun aanstelling beduidend meer vaardigheden op dan postdocs, die een groot aantal van deze vaardigheden als tijdens hun promotietraject hebben geleerd. Alleen op het gebied van samenwerken en leiding geven en organiseren doen postdocs meer vaardigheden op.
 
 
 
Vaardigheden
promov.

n

promov.

%

Post

docs

n

Post

docs

%

signif.
Specialistische kennis
1263
91.3
165
89.5
 
Schrijven
975
70.5
93
50.3
**
Onderzoeksmethoden
974
70.4
111
60.0
**
Presenteren
943
68.2
72
38.9
**
Analytisch denken
869
62.8
78
42.2
**
Onderwijs geven
645
46.6
67
36.2
**
Samenwerken
433
31.3
86
46.5
**
Leiding geven
306
22.1
77
41.6
**
Management en organisatie
263
19.0
48
25.9
*
Totaal
4.82 (gem)
 
4.32 (gem)
 
**

 

Rangorde werkgevers

Uit onderstaande tabel blijkt dat de rangorde van werkgevers voor promovendi en postdocs enigszins verschilt. Allebei hebben ze de universiteit op 1 staan. Vervolgens kiezen promovendi voor het bedrijfsleven en daarna voor de overheid en non-profit organisaties. Postdocs kiezen pas in vierde instantie voor het bedrijfsleven, na de overheid en non-profit organisaties. Beide groepen zijn minder geïnteresseerd in het onderwijs, het zelfstandig ondernemerschap en niet werken.
 
 
 
Rangorde werkgevers
Rang

orde promov.

% eerste keus

promovendi

Rang

orde postdocs

% eerste keus postdocs
sign
Universiteit
1 (1.92)
57.5
1 (1.42)
84.3
**
Bedrijfsleven
2 (3.08)
22.2
4 (3.94)
5.1
**
Overheid
3 (3.45)
5.0
2 (3.38)
1.7
 
Non-profit organisatie
4 (3.64)
8.5
3 (3.74)
1.7
 
Onderwijs
5 (4.38)
2.2
5 (4.09)
1.1
*
Zelfstandig ondernemerschap
6 (4.76)
3.7
6 (4.67)
4.5
 
Geen werk
7 (6.67)
3.2
7 (6.50)
4.5
 

 

Invloed op rangorde

In onderstaande tabel zijn de aspecten vermeld die in meer of mindere mate de rangorde van werkgevers hebben beïnvloed. Deze aspecten zijn opnieuw geordend met de meest invloedrijke aspecten bovenaan. De rangorde is gebaseerd op de gemiddelden van de promovendi. In de tabel staat ook de rangorde voor postdocs vermeld.

Bij de keus voor een bepaalde werkgevers spelen bij promovendi het salaris, de maatschappelijke status, de invloed op beleid, de scholingsmogelijkheden, de carrièreperspectieven en de maatschappelijke bijdrage van het werk een grotere rol dan bij postdocs. Postdocs vinden de intellectuele uitdaging, de zelfstandigheid, de internationale contacten, de flexibele werktijden en de mogelijkheid om zorg en werk te combineren belangrijker dan promovendi.
 
 
 
Invloed op rangorde

(rangorde promovendi)

gem. promov.
gem 

post

docs

Rang

orde

postdocs

signific
1. Benutten van eigen vaardigheden
5.90
6.03
2
 
2. Intellectuele uitdaging
5.85
6.25
1
**
3. Zelfstandigheid
5.49
5.96
3
**
4. Samenwerking met anderen
4.69
4.63
6
 
5. Carrièreperspectieven
4.56
3.66
9
**
6. Maatschappelijke bijdrage 
4.54
4.19
7
*
7. Internationale contacten
4.45
4.95
4
**
8. Werktijden
4.35
4.87
5
**
9. Scholingsmogelijkheden
4.26
3.65
10
**
10. Werkdruk
3.65
3.48
11
 
11. Combinatie werk en zorg
3.53
3.91
8
*
12. Invloed op beleid van organisatie
3.40
3.10
12
*
13. Maatschappelijke status
3.24
2.91
13
*
14. Salariëring
3.11
2.68
14
**

 

Kansinschatting

Van de promovendi schat 49.8% hun kansen hoger dan neutraal in, met een gemiddelde van 3.37 op een 5 puntsschaal. Postdocs schatten hun kansen op de arbeidsmarkt significant lager in dan promovendi. Slechts 35.5% schat haar kansen hoger dan neutraal in, met een gemiddelde van 2.91. Zowel promovendi als postdocs baseren hun inschatting vooral op het aantal beschikbare posities, maar promovendi doen dit daarnaast significant vaker op basis van hun eigen kwaliteiten dan postdocs.
 
Kansinschatting
promov. n
promov. %
postdoc n
postdoc %
signific.
Hoge kansinschatting
683
49.8
65
35.5
**
Op basis van kwaliteiten
807
58.5
78
42.4
**
Op basis van posities
967
70.1
133
72.3
 

 

Voorbereiding

Zoals uit onderstaande tabel blijkt doen promovendi meer om zich voor te bereiden op de arbeidsmarkt dan postdocs, vooral door meer cursussen te volgen die voor postdocs waarschijnlijk niet meer beschikbaar zijn. Postdocs netwerken meer en geven vaker onderwijs.
 
Voorbereiding
promov. n
promov.%
postdoc n
postdoc%
signif
Onderzoek
1029
74.6
141
76.6
 
Vrijwillige cursussen
628
45.6
26
14.1
**
Netwerken
474
34.4
118
64.1
**
Verplichte cursussen
405
29.4
5
2.7
**
Vrijwillige extra cursussen
385
28.0
27
14.7
**
Onderwijs geven
280
20.3
64
34.8
**
Besturen
262
19.0
34
18.5
 
Totaal
2.51
 
2.26
 
*

5. Verschillen tussen respondenten van verschillende wetenschapsgebieden

Om na te gaan of mensen van verschillende wetenschappelijke richtingen van elkaar verschillen zijn de gebieden opgedeeld in alfa's (n=162), bèta's (n=668), gamma's (n=462) en medische wetenschappers (309). De toevoeging van medische wetenschappers als aparte groep is ingegeven door het grote aantal respondenten in deze categorie. Alfa's zijn gemiddeld ouder dan andere wetenschappers (gemiddeld geboortejaar 1967,1) mede omdat hier meer postdocs tussen zitten, gevolgd door voor gamma's (gem. geboortejaar 1970,8), medische wetenschappers (gem. geboortejaar 1971,6) en bèta's (gem. geboortejaar 1971,8).

Het percentage mannen en vrouwen verschilt sterk per wetenschapsgebied. Bij de bèta's werken minder vrouwen dan mannen, terwijl bij de andere gebieden vrouwen in de meerderheid zijn. Vrouwen zijn bij de medische wetenschappen extra sterk vertegenwoordigd.
 
Sekse
alfa

n

alfa

%

bèta 

n

bèta

%

gamma

n

gamma

%

med

n

med

%

Man
79
48.8
443
66.3
203
43.9
108
35.0
Vrouw
83
51.2
225
33.7
259
56.1
201
65.0
Aanstellingsvorm
alfa

n

alfa

%

bèta

n

bèta

%

gamma

n

gamma

%

med.

n

med

%

Promovendus
102
63.7
577
86.0
394
85.3
250
81.7
Postdoc
48
30.0
63
9.4
29
6.3
36
11.8
Gedeeltelijk docent
2
1.3
3
.4
12
2.6
5
1.6
Ondersteunend personeel
2
1.3
4
.6
1
.2
1
.3
Toegevoegd onderzoeker
3
1.9
13
1.9
12
2.6
6
2.0
Divers
3
1.9
7
1.0
14
3.0
8
2.6
Universiteit
alfa

n

alfa

%

bèta

n

bèta

%

gam

n

gam

%

med

n

med

%

Universiteit Utrecht
49
30.2
177
26.4
42
9.1
81
26.0
Universiteit Nijmegen
26
16.0
38
5.7
54
11.6
27
8.7
Vrije Universiteit
18
11.1
19
2.8
36
7.8
33
10.6
Universiteit van Amsterdam
17
10.5
37
5.5
70
15.1
21
6.8
Universiteit Leiden
17
10.5
29
4.3
56
12.1
7
2.3
Rijksuniversiteit Groningen
14
8.6
33
4.9
27
5.8
22
7.1
Erasmus Universiteit
6
3.7
5
.7
32
6.9
52
16.7
Katholieke Universiteit Brabant
3
1.9
2
.3
32
6.9
-
-
Universiteit Maastricht
2
1.2
16
2.4
40
8.6
49
15.8
Technische Universiteit Eindhoven
2
1.2
37
5.5
10
2.2
-
-
Landbouw Universiteit Wageningen
1
.6
80
11.9
9
1.9
6
1.9
Technische Universiteit Delft
-
-
112
16.7
13
2.8
-
-
Technische Universiteit Twente
-
-
57
8.5
33
7.1
-
-
Instituut
4
2.5
20
3.0
5
1.1
11
3.5
Buitenlandse Universiteit
-
-
2
.3
-
-
2
.6

Het percentage promovendi en postdoc verschilt sterk per wetenschapsgebied. Bij de alfa's zitten relatief meer postdocs en minder promovendi dan bij de andere gebieden. Omdat wetenschapsgebied nauw samenhangt met de universiteit waar dergelijk onderzoek gedaan wordt, is de verdeling van de wetenschapsgebieden over de universiteiten sterk wisselend. Alfa's vind men vooral in Utrecht en Nijmegen, bèta's in Utrecht, Delft en Wageningen, gamma's aan de Universiteit van Amsterdam en medische wetenschappers in Utrecht, Rotterdam en Maastricht.
 
 

Tevredenheid

De gemiddelde tevredenheid van respondenten over de verschillende aspecten van hun aanstelling staat in onderstaande tabel. De items zijn geordend op basis van de gemiddelden van alfa wetenschappers.
 
Tevredenheid

(rangorde alfa's)

alfa gem.
bèta gem.
gamma gem.
med. gem.
signif.
1. Carrièreperspectieven
2.83
4.16
4.17
3.83
**
2. Salariëring
3.51
3.90
2.75
2.74
**
3. Kwaliteit scholing
3.89
4.52
4.31
4.45
**
4. Maatschappelijke status
3.94
4.15
3.89
3.81
**
5. Faciliteitenbudget
4.13
4.65
4.17
3.97
**
6. Scholingsmogelijkheden
4.14
4.66
4.84
4.65
**
7. Werkdruk
4.30
4.52
4.39
4.26
*
8. Onderzoeksbudget
4.58
5.00
4.12
4.32
**
9. Begeleiding
4.79
4.67
4.78
4.79
 
10. Contacten met collega's
4.81
5.45
5.30
5.75
**
11. Internationale uitwisseling
5.08
5.05
4.91
4.73
*
12. Mogelijkheden tot congresbezoek
5.24
5.36
5.11
4.99
**
13. Intellectuele uitdaging
5.99
5.75
5.96
5.70
**
14. Zelfstandigheid
6.11
5.89
6.04
5.93
*
15. Intellectuele vrijheid
6.12
5.82
5.90
5.68
**
16. Flexibele werktijden
6.19
5.94
6.18
5.80
**
Tevredenheid totaal
4.73
4.97
4.80
4.71
**

 

Bèta's zijn over het algemeen het meest tevreden met hun aanstelling, gevolgd door gamma's. Alfa's zijn relatief zeer ontevreden over hun carrièreperspectieven en het aanbod en de kwaliteit van hun scholing. Alfa's zijn net als bèta's minder ontevreden over hun salaris dan gamma's en medische wetenschappers, misschien mede omdat in deze groepen relatief meer postdocs zitten (alfa's) en meer promovendi die een bindingspremie ontvangen (bèta's). Bèta's zijn ook meer tevreden over hun maatschappelijke status. Binnen deze groep vallen dan ook de junior onderzoekers en andere promovendi die niet gecategoriseerd worden als zijnde in opleiding. Ook over het faciliteitenbudget en onderzoeksbudget zijn bèta's relatief tevreden, terwijl medische wetenschappers en gamma's hier juist ontevreden over zijn. Werkdruk wordt door iedereen ongeveer hetzelfde gewaardeerd, maar over de flexibele werktijden zijn vooral medische wetenschappers minder tevreden, waarschijnlijk omdat de werktijden in hun branche minder flexibel zijn dan bij andere wetenschappers. Contacten met collega's worden door alfa's het minst en door medische wetenschappers het meest gewaardeerd, terwijl de internationale uitwisselingsmogelijkheden en de mogelijkheden tot congresbezoek voor medische wetenschappers en gamma's minder positief uitpakken. De intellectuele uitdaging, -vrijheid en zelfstandigheid worden door alfa's en gamma's hoger gewaardeerd dan door bèta's en medische wetenschappers.
 
 

Vaardigheden

Bèta's en medische wetenschappers hebben relatief meer vaardigheden opgedaan, vooral op het gebied van presenteren, samenwerken en leiding geven. Alfa's en bèta's hebben vaker specialistische kennis opgedaan dan gamma's en medische wetenschappers, die juist vaker methodologische vaardigheden noemen. Alfa's hebben relatief weinig ervaring opgedaan met management en organisatie. Gamma's hebben vaker ervaring opgedaan met onderwijs geven dan de andere wetenschappers.
 
Vaardigheden
alfa %
bèta %
gamma %
med. %
sign.
Specialistische kennis
92.5
94.6
88.4
86.5
**
Onderzoeksmethoden
63.4
67.1
69.8
78.1
**
Schrijven
64.6
67.4
73.5
67.2
 
Presenteren
60.2
67.7
60.3
66.9
*
Analytisch denken
59.6
58.4
65.1
59.2
 
Onderwijs geven
42.2
45.6
57.5
30.5
**
Samenwerken
25.5
38.9
21.3
42.8
**
Leiding geven
11.2
28.3
15.7
32.8
**
Management en organisatie
13.7
18.9
19.2
24.1
 
Totaal
4.34
4.84
4.70
4.89
*

 

Rangorde werkgevers

Voor alle wetenschapsgebieden staat de universiteit op 1 in de rangorde van werkgevers. Bèta's en medische wetenschappers willen in tweede instantie echter naar het bedrijfsleven, terwijl alfa's en gamma's eerder kiezen voor de overheid en non-profit organisaties. Het onderwijs is voor de bèta's een minder aantrekkelijke optie dan voor de andere wetenschappers. Het zelfstandig ondernemerschap en niet werken staan voor alle wetenschapsgebieden onderaan.
 
 
 
Rangorde werkgevers
alfa
alfa

%

bèta
bèta

%

gam.
gamma

%

med.
med.

%

sign.
Universiteit
1/1.62
78.5
1/1.94
57.5
1/1.89
61.3
1/1.79
59.6
 
Overheid
2/3.41
3.3
3/3.57
1.8
2/3.23
8.4
3/3.52
5.0
**
Non-profit organisatie
3/3.56
5.2
4/3.77
6.2
3/3.52
10.3
4/3.68
9.0
 
Onderwijs
4/3.82
3.3
5/4.57
.9
5/4.25
3.5
5/4.16
2.3
**
Bedrijfsleven
5/4.24
2.6
2/2.73
28.9
4/3.62
12.4
2/3.10
18.2
**
Zelfstandig ondernemer
6/4.63
4.1
6/4.73
3.3
6/4.66
4.0
6/4.94
4.6
*
Geen werk
7/6.47
6.1
7/6.63
3.0
7/6.66
3.4
7/6.70
3.0
 

 
 
 

Invloed op rangorde

In onderstaande tabel staat de gemiddelde invloed van verschillende aspecten op de rangordening van werkgevers vermeld. De items zijn geordend op basis van de gemiddelden van alfa wetenschappers.
 
Invloed op rangorde

(rangorde alfa's)

alfa

gem. 

bèta

gem 

gamma

gem 

med.

gem 

sign.
1. Benutten van eigen vaardigheden
6.27
5.80
6.05
5.79
**
2. Intellectuele uitdaging
6.12
5.87
5.92
5.78
*
3. Zelfstandigheid
5.62
5.51
5.54
5.60
 
4. Maatschappelijke bijdrage
4.43
4.27
4.80
4.60
**
5. Werktijden
4.67
4.39
4.53
4.26
 
6. Samenwerking met anderen
4.35
4.77
4.56
4.85
**
7. Internationale contacten
4.32
4.70
4.22
4.56
**
8. Combineren werk en zorg
4.01
3.37
3.76
3.72
**
9. Carrièreperspectieven
3.61
4.57
4.38
4.75
**
10. Werkdruk
3.50
3.76
3.51
3.57
*
11. Scholingsmogelijkheden
3.43
4.29
4.15
4.49
**
12. Invloed op beleid van organisatie
3.12
3.27
3.55
3.48
*
13. Maatschappelijke status
2.81
3.22
3.22
3.33
*
14. Salariëring
2.54
3.29
2.88
3.13
**

De intellectuele uitdaging en het benutten van de eigen vaardigheden spelen bij de keuze voor een werkgever voor alfa's en gamma's een belangrijkere rol dan voor bèta's en medische wetenschappers. Zelfstandigheid wordt door iedereen ongeveer even belangrijk gevonden. Bèta's vinden het relatief minder belangrijk dat ze met hun werk een maatschappelijk bijdrage leveren. Werktijden worden door medische wetenschappers iets minder belangrijk gevonden dan door andere wetenschappers, terwijl de werkdruk voor bèta's een grotere rol speelt dan voor andere wetenschappers. Samenwerking met anderen en Internationale contacten staan bij bèta's en medische wetenschappers hoger op de agenda dan bij alfa's en gamma's. Carrièreperspectieven en maatschappelijke status worden door alfa's minder belangrijk gevonden dan door de andere wetenschappers net als scholingsmogelijkheden. De mogelijkheden om werk te combineren met zorgtaken worden door alfa's juist het meest belangrijk gevonden en door bèta's het minst. Het hebben van invloed op het beleid van een organisatie is voor gamma's en medische wetenschappers belangrijker dan voor alfa's en bèta's. Salaris speelt bij de keuze voor een werkgever voor bèta's en medische wetenschappers een grotere rol dan voor alfa's en gamma's.
 
 

Kansinschatting

Alfa's schatten hun kansen op de arbeidsmarkt beduidend lager in dan andere wetenschappers, met een gemiddelde van 2.76 op een schaal van 5 (3.36 voor bèta's, 3.42 voor gamma's en 3.40 voor medische wetenschappers). Slechts 30.4% schat hun kansen hoger dan neutraal in. Gamma's schatten hun kansen relatief vaker in op basis van hun eigen kwaliteiten, terwijl alfa's deze minder laten meewegen in hun schatting. Voor bèta's is de schatting op basis van het aantal posities beduidend hoger dan voor andere wetenschappers. Dit kan komen doordat er meer posities te vinden zijn in de bètawetenschappen, maar ook doordat zij vaker ervoor kiezen om het bedrijfsleven in te gaan, waar de arbeidsperspectieven een stuk rooskleuriger zijn.
 
 
 
Kansinschatting
alfa %
bèta %
gamma %
med. %
sign.
Hoge kansinschatting
30.4
49.6
51.6
47.4
**
Op basis van kwaliteiten
44.7
56.0
63.0
53.4
**
Op basis van posities
69.6
75.9
65.8
69.8
**

 

Voorbereiding

Gamma's doen gemiddeld meer ter voorbereiding op de arbeidsmarkt dan mensen van andere wetenschapsgebieden, bèta's doen juist relatief weinig. Gamma's en medische wetenschappers volgen vaker cursussen, vooral binnen hun eigen vakgebied. Alfa's kiezen relatief vaak netwerken als strategie. Bestuurswerk en onderwijs geven wordt door alfa's en gamma's vaker gedaan dan door bèta's en medische wetenschappers.
 
Voorbereiding
alfa %
bèta %
gamma %
med. %
sign.
Onderzoek
72.7
73.5
76.2
75.2
 
Netwerken
55.9
35.2
36.6
38.4
**
Onderwijs geven
32.9
15.0
33.8
16.5
**
Vrijwillige cursussen
27.3
39.7
46.3
44.8
**
Besturen
29.7
15.2
23.2
12.6
**
Vrijwillige extra cursussen
21.1
28.5
27.3
25.2
**
Verplichte cursussen
18.0
17.2
33.8
34.8
**
Totaal
2.57
2.25
2.77
2.47
**

 

6. Sekseverschillen onder promovendi

Voor deze analyses hebben we ons uitsluitend gebaseerd op de gegevens van promovendi, omdat de gegevens inclusief postdocs de gevonden sekseverschillen zouden kunnen vertroebelen. In deze groep zitten immers relatief meer mannen. Onder de 1384 promovendi die meededen aan dit onderzoek bevinden zich 691 mannen (50.1%) en 688 vrouwen (49.9%). Vijf respondenten hebben geen sekse opgegeven. Mannen en vrouwen verschillen niet in hun leeftijd of de tijd die ze nog te gaan hebben in hun aanstelling.
 
 

Tevredenheid

Mannelijke promovendi zijn in het algemeen meer tevreden over hun aanstelling dan vrouwelijke promovendi, vooral over aspecten zoals salaris, carrièreperspectieven, budgetten, werkdruk, en mogelijkheden tot congresbezoek.
 
 
 
Tevredenheid

(rangorde mannen)

mannen gem
vrouwen

gem.

rangorde

vrouwen

signif.
1. Salariëring
3.29
2.88
1
**
2. Maatschappelijke status
3.95
3.96
2
 
3. Carrièreperspectieven
4.26
3.97
3
**
4. Kwaliteit scholing
4.41
4.45
7
 
5. Faciliteitenbudget
4.51
4.18
4
**
6. Werkdruk
4.57
4.30
5
**
7. Scholingsmogelijkheden
4.70
4.83
9
 
8. Begeleiding
4.73
4.80
8
 
9. Onderzoeksbudget
4.74
4.37
6
**
10. Internationale uitwisseling
5.00
4.85
10
 
11. Mogelijkheden tot congresbezoek
5.28
5.12
11
*
12. Contacten met collega's
5.40
5.48
12
 
13. Intellectuele uitdaging
5.80
5.86
14
 
14. Intellectuele vrijheid
5.86
5.82
13
 
15. Zelfstandigheid
5.97
5.96
15
 
16. Flexibele werktijden
6.02
6.00
16
 
Tevredenheid totaal
4.91
4.80
 
**

 

Rangorde werkgevers

Mannelijke en vrouwelijke promovendi brengen dezelfde rangorde aan onder werkgevers. Vrouwelijke promovendi willen alleen relatief vaker voor een non-profitorganisatie of de overheid werken dan mannelijke promovendi die juist relatief vaker voor het bedrijfsleven of zelfstandig ondernemerschap kiezen.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Rangorde werkgevers
Rangorde man (gem.)
Rangorde vrouw (gem.)
mannen

% 1e keus

vrouwen

% 1e keus

signif
Universiteit
1 (1.88)
1 (1.96)
58.5
56.5
 
Bedrijfsleven
2 (2.84)
2 (3.32)
25.7
18.7
**
Overheid
3 (3.51)
3 (3.39)
4.0
6.0
 
Non-profit organisatie
4 (3.89)
4 (3.39)
4.7
12.2
**
Onderwijs
5 (4.52)
5 (4.24)
1.6
2.8
**
Zelfstandig ondernemer
6 (4.59)
6 (4.95)
4.3
3.0
**
Geen werk
7 (6.65)
7 (6.68)
3.4
3.0
 

 

Invloed op rangorde

Bij de keus voor een werkgever spelen bij mannelijke promovendi het salaris, maatschappelijke status en de internationale uitwisselingsmogelijkheden een grotere rol dan bij vrouwelijke promovendi. Bijvrouwen spelen de mogelijkheid om zorg en werk te combineren, de maatschappelijke bijdrage van het werk, de samenwerking met anderen en het benutten van de eigen vaardigheden een grotere rol dan bij mannelijke promovendi.
 
Invloed op rangorde

(rangorde mannen)

man gem.
vrouw gem.
rangorde

vrouwen

signif.
1. Intellectuele uitdaging
5.87
5.84
2
 
2. Benutten van eigen vaardigheden
5.83
5.98
1
**
3. Zelfstandigheid
5.49
5.49
3
 
4. Internationale contacten
4.59
4.31
9
**
5. Carrièreperspectieven
4.58
4.54
6
 
6. Samenwerking met anderen
4.56
4.81
4
**
7. Werktijden
4.32
4.39
7
 
8. Maatschappelijke bijdrage 
4.29
4.79
5
**
9. Scholingsmogelijkheden
4.19
4.33
6
 
10. Werkdruk
3.64
3.66
11
 
11. Maatschappelijke status
3.41
3.07
13
**
12. Invloed op beleid van organisatie
3.39
3.41
12
 
13. Salariëring
3.34
2.89
14
**
14. Mogelijkheid combineren werk en zorg
3.03
4.03
10
**

 

Kansinschatting

Mannelijke promovendi schatten hun kansen op de baan van hun eerste keuze significant hoger in dan vrouwelijke promovendi, (3.53 respectievelijk 3.21 op een 5-puntsschaal). Mannen doen dit relatief meer op basis van hun kwaliteiten dan vrouwen, terwijl vrouwen dit meer op basis van het aantal beschikbare posities doen. Voor beiden is het aantal beschikbare posities een belangrijkere factor bij de inschatting van hun kansen dan hun eigen kwaliteiten.
 
Kansinschatting
man %
vrouw %
signif.
Hoge kansinschatting
57.7
41.7
**
Op basis van kwaliteiten
63.0
54.1
**
Op basis van posities
67.2
73.0
*

 

Verder

Mannen en vrouwen geven aan dat ze ongeveer evenveel vaardigheden opdoen tijdens hun aanstelling. Mannen noemen alleen iets vaker leidinggevende vaardigheden. Vrouwen doen beduidend meer om zich voor te bereiden op de arbeidsmarkt dan mannen, vooral door meer cursussen te volgen.

7. Keuzeverschillen in werkgever onder promovendi

Opnieuw zijn voor deze analyses alleen de gegevens van promovendi gebruikt, omdat onder postdocs relatief meer mensen voor de universiteit als werkgever kiezen (84,3%). Onder de 1384 promovendi die meededen aan dit onderzoek bevinden zich 786 mensen (57.5%) die het liefst bij de universiteit willen blijven werken en 582 mensen (42.5%) die als eerste voorkeur een andere werkgever opgeven. Zestien respondenten hebben geen rangorde opgegeven. Mensen die de universiteit als eerste keus noemen zijn iets ouder dan mensen die de universiteit willen verlaten (geboortejaar respectievelijk 1971.7 versus 1972.2). Sekse is niet bepalend voor de keuze voor de universiteit als eerste werkgever.
 
 

Tevredenheid

Mensen die bij de universiteit willen blijven werken zijn in het algemeen meer tevreden over hun aanstelling dan mensen die de universiteit willen verlaten, vooral over aspecten zoals maatschappelijke status, begeleiding, internationale uitwisselingsmogelijkheden, contacten met collega's, en de intellectuele vrijheid en zelfstandigheid die het werk bij de universiteit biedt. Mensen die een grotere voorkeur hebben voor een andere werkgever dan de universiteit zijn meer tevreden over hun carrièreperspectieven.
 
Tevredenheid

(rangorde universiteit 1e keus)

1e keus gem
niet 1e keus gem.
rangorde

niet 1e keus

signif
1. Salariëring
3.05
3.15
1
 
2. Carrièreperspectieven
3.96
4.32
3
**
3. Maatschappelijke status
4.06
3.82
2
**
4. Faciliteitenbudget
4.26
4.44
6
 
5. Kwaliteit scholing
4.45
4.40
4
 
6. Werkdruk
4.46
4.40
5
 
7. Onderzoeksbudget
4.58
4.56
8
 
8. Scholingsmogelijkheden
4.79
4.72
9
 
9. Begeleiding
4.94
4.52
7
**
10. Internationale uitwisseling
5.00
4.83
10
*
11. Mogelijkheden tot congresbezoek
5.22
5.18
11
 
12. Contacten met collega's
5.52
5.33
12
*
13. Intellectuele vrijheid
5.96
5.67
14
**
14. Intellectuele uitdaging
5.98
5.63
13
**
15. Flexibele werktijden
6.03
5.97
16
 
16. Zelfstandigheid
6.07
5.81
15
**
Tevredenheid totaal
4.90
4.80
 
*

 

Invloed op rangorde

Bij de keus voor een werkgever spelen bij mensen die bij de universiteit willen blijven werken de internationale uitwisselingsmogelijkheden, de intellectuele uitdaging en zelfstandigheid, de flexibele werktijden en de scholingsmogelijkheden een grotere rol dan mensen die de universiteit willen verlaten. Bij hen spelen juist het salaris, de maatschappelijke status, de carrièreperspectieven, de maatschappelijke bijdrage van het werk, de samenwerking met anderen en het invloed hebben op het beleid van de organisatie een grotere rol.
 
 
 
Invloed op rangorde

(rangorde universiteit 1e keus)

1e keus gem.
niet 1e keus 

gem

rangorde

niet 1e keus

signif.
1. Intellectuele uitdaging
6.24
5.35
2
**
2. Benutten van eigen vaardigheden
5.91
5.89
1
 
3. Zelfstandigheid
5.80
5.07
4
**
4. Werktijden
4.75
3.92
10
**
5. Internationale contacten
4.68
4.15
7
**
6. Samenwerking met anderen
4.52
4.92
5
**
7. Maatschappelijke bijdrage 
4.40
4.72
6
**
8. Scholingsmogelijkheden
4.37
4.11
8
**
9. Carrièreperspectieven
4.15
5.11
3
**
10. Werkdruk
3.68
3.60
12
 
11. Combineren werk en zorg
3.50
3.57
14
 
12. Invloed op beleid van organisatie
3.01
3.91
9
**
13. Maatschappelijke status
2.98
3.58
13
**
14. Salariëring
2.71
3.64
11
**

 

Kansinschatting

Mensen die de universiteit willen verlaten schatten hun kansen op de baan van hun eerste keuze significant hoger in dan mensen die bij de universiteit willen blijven (3.69 respectievelijk 3.14 op een 5-puntsschaal). Deze lagere kansinschatting is vooral gebaseerd op het aantal beschikbare posities binnen de universiteit en minder op basis van de eigen kwaliteiten.
 
Kansinschatting
univ. 1e keus 

%

niet 1e keus

%

signif.
Hoge kansinschatting
41.0
62.2
**
Op basis van kwaliteiten
51.0
69.1
**
Op basis van posities
74.4
64.9
**

 

Verder

Mensen die de universiteit willen verlaten geven niet aan dat ze meer of andere vaardigheden hebben opgedaan dan mensen die bij de universiteit willen blijven. Mensen die bij de universiteit willen blijven doen wel meer ter voorbereiding op de arbeidsmarkt, vooral door meer verplichte cursussen te volgen, meer onderwijs te geven en zich meer op hun onderzoek te concentreren. Mensen die de universiteit willen verlaten volgen meer vrijwillige cursussen die buiten hun onderzoeksproject vallen.
 
 
 

8. Sekseverschillen onder promovendi van verschillende wetenschapsgebieden

Alfa wetenschappers

In totaal namen 162 alfa wetenschappers deel aan het onderzoek, waarvan 75 mannen (48.4%) en 80 vrouwen (51.6%) (7 respondenten gaven geen sekse op). Gemiddelde leeftijd is 33 jaar. Dit is relatief oud, omdat in deze groep ook relatief meer postdocs zitten, namelijk 46 (30.1%). Daarnaast deden 97 alfa promovendi mee (63.4%). Onder de promovendi zijn beduidend meer vrouwen dan mannen (63 respectievelijk 39), terwijl onder de postdocs juist meer mannen dan vrouwen zijn (34 respectievelijk 14).
 
Aanstellingsvorm
man n
man %
vrouw n
vrouw %
Promovendus
39
49.4
63
77.8
Postdoc
34
43.0
14
17.3
Anders
6
7.6
6
4.9

 

De volgende resultaten hebben alleen betrekking op alfa promovendi.

Tevredenheid

De items zijn geordend op basis van de gemiddelde tevredenheidscores van de mannelijke alfa wetenschappers. De rangorde voor de vrouwen vindt u in de tabel. Mannelijke en vrouwelijke alfa's zijn ongeveer even tevreden over verschillende aspecten van hun aanstelling, behalve op het gebied van werkdruk. Hier zijn vrouwen iets minder tevreden over dan mannen.
 
Tevredenheid

(rangorde mannen)

mannen 

gem

vrouwen 

gem.

rangorde

vrouwen

sign.
1. Salariëring 
2.97
2.80
1
 
2. Carrièreperspectieven 
3.28
3.97
4
 
3. Maatschappelijke status
3.58
4.03
5
 
4. Kwaliteit scholing
3.97
3.17
2
 
5. Scholingsmogelijkheden
4.25
4.30
7
 
6. Faciliteitenbudget
4.25
3.94
3
 
7. Onderzoeksbudget 
4.33
4.19
6
 
8. Begeleiding
4.78
4.56
8
 
9. Contacten met collega's 
4.78
4.87
10
 
10. Werkdruk 
4.86
4.67
9
*
11. Internationale uitwisseling
4.97
5.04
11
 
12. Mogelijkheden tot congresbezoek
5.08
5.31
12
 
13. Intellectuele uitdaging 
6.06
6.17
15
 
14. Flexibele werktijden
6.11
6.29
16
 
15. Zelfstandigheid
6.14
5.87
13
 
16. Intellectuele vrijheid
6.39
6.07
14
 
Tevredenheid totaal
4.74
4.71
   

 
 
 

Rangorde werkgevers

Mannelijke en vrouwelijke alfa’s willen het liefst voor de universiteit blijven werken.

Daarnaast zijn non-profit organisaties voor vrouwen een meer gewild alternatief dan voor mannen.
 
Rangorde werkgevers
rangorde 

man (gem.)

rangorde vrouw (gem.)
% 1e keus

mannen

%1e keus vrouwen
signif
Universiteit
1 (1.59)
1 (1.85)
74.4
66.7
 
Overheid
2 (3.26)
3 (3.57)
5.1
4.8
 
Bedrijfsleven
3 (3.76)
4 (4.35)
5.1
3.2
 
Onderwijs
4 (3.82)
5 (3.90)
2.6
4.8
 
Non-profit organisatie
5 (3.91)
2 (3.25)
15.4
11.1
*
Zelfstandig ondernemerschap
6 (4.88)
6 (4.47)
4.8
4.8
 
Geen werk
7 (6.17)
7 (6.50)
2.6
6.3
 

 

Invloed op rangorde

De items zijn geordend op basis van de gemiddelde invloedscores van de mannelijke alfa wetenschappers. De rangorde voor de vrouwen vindt u in de tabel. Bij de keus voor een werkgever speelt bij mannelijke alfa's het salaris een grotere rol dan bij vrouwelijke alfa's, al heeft dit aspect bij beide groepen weinig invloed op de keuze.
 
 
 
Invloed op rangorde

(rangorde mannen)

mannen

gem.

vrouwen

gem

rangorde

vrouwen

signif.
1. Benutten van eigen vaardigheden
6.19
6.26
1
 
2. Intellectuele uitdaging
6.11
6.08
2
 
3. Zelfstandigheid
5.78
5.23
3
 
4. Werktijden
4.43
4.55
5
 
5. Internationale contacten
4.35
3.84
8
 
6. Maatschappelijke bijdrage
4.11
4.77
4
 
7. Samenwerking met anderen 
4.00
4.39
6
 
8. Carrièreperspectieven
3.87
3.73
9
 
9. Werkdruk
3.65
3.45
11
 
10. Scholingsmogelijkheden 
3.60
3.50
10
 
11. Mogelijkheid combineren werk en zorg 
3.38
4.10
7
 
12. Invloed op beleid van organisatie
3.30
3.18
12
 
13. Salariëring
3.16
2.10
13
**
14. Maatschappelijke status 
3.14
2.55
14
 

 

Kansinschatting

Mannelijke alfa's schatten hun kansen op de baan van hun eerste keuze significant hoger in dan vrouwelijke alfa's (3.19 respectievelijk 2.60 op een 5-puntsschaal). Mannen baseren deze kansinschatting meer dan vrouwen op basis van hun eigen kwaliteiten.
 
 
 
Kansinschatting
man %
vrouw %
signif.
Hoge kansinschatting
43.6
23.8
*
Op basis van kwaliteiten
64.9
44.4
*
Op basis van posities
62.2
77.8
 

 

Bèta wetenschappers

In totaal namen 668 bèta wetenschappers deel aan het onderzoek, waarvan 443 mannen (66.3%) en 225 vrouwen (33.7%). Gemiddelde leeftijd is 28 jaar. Onder de promovendi zijn relatief iets meer vrouwen dan mannen, terwijl onder de postdocs juist relatief meer mannen dan vrouwen zijn.
 
Aanstellingsvorm
man n
man %
vrouw n
vrouw %
Promovendus
376
85.6
199
88.4
Postdoc
46
10.5
17
7.6
Anders
15
3.9
15
4.0

De volgende resultaten hebben alleen betrekking op promovendi.

Tevredenheid

Mannelijke en vrouwelijke bèta's zijn ongeveer even tevreden over verschillende aspecten van hun aanstelling, behalve op het gebied van faciliteitenbudget. Hier zijn vrouwen minder tevreden over dan mannen.
 
Tevredenheid

(rangorde mannen)

man gem
vrouw gem.
rangorde

vrouwen

signif.
1. Salariëring
3.81
3.59
1
 
2. Maatschappelijke status
4.09
4.15
2
 
3. Carrièreperspectieven
4.33
4.22
3
 
4. Werkdruk 
4.59
4.37
4
 
5. Kwaliteit scholing
4.69
4.77
7
 
6. Scholingsmogelijkheden
4.69
4.77
8
 
7. Begeleiding
4.69
4.71
6
 
8. Faciliteitenbudget
4.75
4.42
5
*
9. Onderzoeksbudget
5.01
4.94
9
 
10. Internationale uitwisseling
5.05
4.99
10
 
11. Mogelijkheden tot congresbezoek
5.38
5.32
11
 
12. Contacten met collega's
5.41
5.61
12
 
13. Intellectuele uitdaging
5.72
5.78
13
 
14. Intellectuele vrijheid
5.78
5.88
15
 
15. Zelfstandigheid
5.91
5.81
14
 
16. Flexibele werktijden
5.91
5.96
16
 
Tevredenheid totaal
4.98
4.93
   

 

Rangorde werkgevers

Mannelijke en vrouwelijke bèta's willen beide het liefst voor de universiteit blijven werken. Vrouwelijke bèta's prefereren het werken in een non-profitorganisatie en in het onderwijs boven mannen die een grotere voorkeur hebben voor het zelfstandig ondernemerschap.
 
Rangorde werkgevers
rangorde 

man (gem.)

rangorde vrouw (gem.)
% 1e keus man
%1e keus vrouw
signif
Universiteit
1 (1.97)
1 (1.98)
54.5
56.3
 
Bedrijfsleven
2 (2.64)
2 (2.69)
32.4
27.6
 
Overheid
3 (3.58)
4 (3.57)
1.6
2.0
 
Non-profit organisatie
4 (3.87)
3 (3.54)
5.3
9.5
**
Zelfstandig ondernemerschap
6 (4.52)
6 (5.22)
3.7
1.0
**
Onderwijs
5 (4.71)
5 (4.47)
.5
1.0
*
Geen werk
7 (6.64)
7 (6.63)
3.2
2.5
 

Invloed op rangorde

Bij de rangordening van werkgevers spelen bij vrouwelijke bèta's de samenwerking met anderen, de scholingsmogelijkheden, de maatschappelijke bijdrage van het werk, de werktijden en de mogelijkheden om werk en zorg te combineren een grotere rol dan bij mannelijke bèta's.
 
Invloed op rangorde

(rangorde mannen)

man gem.
vrouw gem
rangorde

vrouwen

signif.
1. Intellectuele uitdaging
5.84
5.86
2
 
2. Benutten van eigen vaardigheden
5.76
5.89
1
 
3. Zelfstandigheid
5.43
5.60
3
 
4. Internationale contacten
4.68
4.69
5
 
5. Carrièreperspectieven 
4.67
4.61
6
 
6. Samenwerking met anderen
4.63
5.00
4
**
7. Scholingsmogelijkheden 
4.24
4.45
10
8. Werktijden
4.22
4.55
9
*
9. Maatschappelijke status 
4.13
4.58
7
 
10. Maatschappelijke bijdrage
4.13
4.58
8
**
11. Werkdruk 
3.71
3.89
11
 
12. Salariëring
3.42
3.19
14
 
13. Invloed op beleid van organisatie
3.25
3.36
13
 
14. Mogelijkheid combineren werk en zorg
2.93
3.38
12
**

 

Kansinschatting

Mannelijke bèta's schatten hun kansen op de baan van hun eerste keuze significant hoger in dan vrouwelijke bèta's, (3.51 respectievelijk 3.19 op een 5-puntsschaal). De basis waarop ze dit doen verschilt echter niet.
 
Kansinschatting
man %
vrouw %
signif.
Hoge kansinschatting
56.1
42.7
**
Op basis van kwaliteiten
61.8
54.0
 
Op basis van posities
73.1
80.3
 

 

Gamma wetenschappers

In totaal namen 462 gamma wetenschappers deel aan het onderzoek, waarvan 203 mannen (43.9%) en 259 vrouwen (56.1%). Gemiddelde leeftijd is 29 jaar. De verdeling van mannen en vrouwen onder promovendi en postdocs is ongeveer gelijk.
 
Aanstellingsvorm
man n
man %
vrouw n
vrouw %
Promovendus
169
83.7
224
86.8
Postdoc
15
7.4
13
5.0
Anders
19
8.9
22
8.2

De volgende resultaten hebben alleen betrekking op promovendi.

Tevredenheid

Mannelijke en vrouwelijke gamma's zijn ongeveer even tevreden over verschillende aspecten van hun aanstelling, behalve op het gebied van onderzoeksbudget en flexibele werktijden. Hier zijn vrouwen minder tevreden over.
 
Tevredenheid

(rangorde mannen)

man gem
vrouw gem.
rangorde

vrouwen

signif
1. Salariëring
2.68
2.48
1
 
2. Maatschappelijke status
3.82
3.91
2
 
3. Kwaliteit scholing
4.26
4.34
6
 
4. Faciliteitenbudget
4.27
4.10
4
 
5. Carrièreperspectieven 
4.30
4.12
5
 
6. Onderzoeksbudget
4.33
3.90
3
**
7. Werkdruk
4.53
4.36
7
 
8. Begeleiding 
4.73
4.88
9
 
9. Scholingsmogelijkheden
4.78
4.52
8
 
10. Internationale uitwisseling
4.96
4.85
10
 
11. Mogelijkheden tot congresbezoek
5.20
5.00
11
 
12. Contacten met collega's
5.28
5.32
12
 
13. Intellectuele uitdaging
5.91
5.99
14
 
14. Intellectuele vrijheid
5.94
5.83
13
 
15. Zelfstandigheid
6.03
6.06
15
 
16. Flexibele werktijden
6.28
6.11
16
*
Tevredenheid totaal
4.83
4.75
   

 

Rangorde werkgevers

Mannelijke en vrouwelijke gamma’s willen beide het liefst voor de universiteit blijven werken. Vrouwelijke gamma's prefereren echter iets vaker het werken bij een non-profitorganisatie boven het werken in het bedrijfsleven als alternatief voor hun eerste keuze, in tegenstelling tot mannelijke gamma's.
 
Rangorde werkgevers
rangorde

man (gem)

rangorde

vrouw (gem)

man % 

1e keus

vrouw %

1e keus 

signif
Universiteit
1 (1.91)
1 (2.01)
60.9
54.5
 
Overheid
2 (3.19)
2 (3.20)
9.5
8.9
 
Bedrijfsleven
3 (3.28)
4 (3.73)
16.0
11.6
**
Non-profit organisatie
4 (3.84)
3 (3.37)
4.1
14.6
**
Onderwijs
5 (4.42)
5 (4.23)
3.6
4.5
 
Zelfstandig ondernemerschap
6 (4.68)
6 (4.64)
3.6
4.5
 
Geen werk
7 (6.61)
7 (6.73)
2.7
4.1
 

 

Invloed op rangorde

Bij de keus voor een werkgever speelt bij mannelijke gamma’s de maatschappelijke status een grotere rol dan bij vrouwelijke gamma’s. Bij de rangordening van werkgevers spelen bij vrouwelijke gamma's de maatschappelijke bijdrage van het werk en de mogelijkheden om werk en zorg te combineren een grotere rol dan bij mannelijke gamma's.
 
Invloed op rangorde

(rangorde mannen)

man gem.
vrouw gem.
rangorde

vrouwen

signif.
1. Benutten van eigen vaardigheden
5.94
6.11
1
 
2. Intellectuele uitdaging
5.88
5.94
2
 
3. Zelfstandigheid
5.46
5.53
3
 
4. Werktijden
4.58
4.38
7
 
5. Samenwerking met anderen
4.50
4.99
5
 
6. Maatschappelijke bijdrage 
4.46
5.06
4
**
7. Carrièreperspectieven 
4.36
4.46
6
 
8. Internationale contacten
4.28
4.08
10
 
9. Scholingsmogelijkheden
4.11
4.17
8
 
10. Invloed op beleid van organisatie
3.56
3.49
12
 
11. Maatschappelijke status
3.43
3.08
13
*
12. Werkdruk 
3.40
3.54
11
 
13. Mogelijkheid combineren werk en zorg
3.17
4.13
9
**
14. Salariëring
3.06
2.76
14
 

Kansinschatting

Mannelijke gamma's schatten hun kansen op de baan van hun eerste keuze significant hoger in dan vrouwelijke gamma's, (3.66 respectievelijk 3.28 op een 5-puntsschaal). Deze kansinschatting verschilt op grond van de inschatting van de invloed van eigen kwaliteiten, waarbij mannen vaker denken de baan van hun eerste keus te vinden als een gevolg van hun eigen kwaliteiten dan vrouwen. Vrouwen verwachten dat dit eerder bepaald zal worden op grond van het aantal beschikbare posities.
 
Kansinschatting
man %
vrouw %
signif.
Hoge kansinschatting
62.7
43.8
**
Op basis van kwaliteiten
72.0
59.4
**
Op basis van posities
60.7
68.5
 

 

Medische wetenschappers

In totaal namen 309 medische wetenschappers deel aan het onderzoek, waarvan 107 mannen (35%) en 201 vrouwen (65%). Gemiddelde leeftijd is 28 jaar. Onder de promovendi zijn relatief iets meer vrouwen dan mannen, terwijl onder de postdocs juist relatief meer mannen dan vrouwen zijn.
 
Aanstellingsvorm
man n
man %
vrouw n
vrouw %
Promovendus
78
72.2
170
86.7
Postdoc
20
18.5
16
8.2
Anders
9
9.3
15
5.1

De volgende resultaten hebben alleen betrekking op promovendi.

Tevredenheid

Mannelijke en vrouwelijke medische wetenschappers zijn even tevreden over de verschillende aspecten van hun aanstelling.
 
Tevredenheid

(rangorde mannen)

man gem
vrouw gem.
rangorde

vrouwen

signif.
1. Salariëring
2.26
2.52
1
 
2. Maatschappelijke status
3.78
3.75
2
 
3. Faciliteitenbudget
3.84
4.00
3
 
4. Carrièreperspectieven 
4.13
3.85
4
 
5. Werkdruk
4.40
4.13
5
 
6. Kwaliteit scholing
4.41
4.54
7
 
7. Onderzoeksbudget
4.46
4.22
6
 
8. Scholingsmogelijkheden
4.75
4.77
10
 
9. Internationale uitwisseling
4.78
4.65
8
 
10. Begeleiding
4.91
4.76
9
 
11. Mogelijkheden tot congresbezoek
4.99
4.93
11
 
12. Intellectuele vrijheid 
5.74
5.64
13
 
13. Intellectuele uitdaging
5.78
5.69
12
 
14. Contacten met collega's
5.91
5.74
14
 
15. Flexibele werktijden
5.93
5.83
15
 
16. Zelfstandigheid
5.96
5.93
16
 
Tevredenheid totaal
4.75
4.68
   

 

Rangorde werkgevers

Mannelijke en vrouwelijke medische wetenschappers willen beide het liefst voor de universiteit blijven werken. Vrouwelijke medische wetenschappers geven iets meer de voorkeur aan de overheid en non-profit organisaties dan mannelijke medische wetenschappers, die iets meer voorkeur geven aan het zelfstandig ondernemerschap en het bedrijfsleven.
 
 
 
 
 
Rangorde werkgevers
rangorde man (gem)
rangorde vrouw (gem)
man % 

1e keus

vrouw %

1e keus 

signif.
Universiteit 
1 (1.63)
1 (1.93)
64.1
54.1
 
Bedrijfsleven 
2 (2.64)
2 (3.20)
16.7
20.0
*
Overheid 
3 (3.83)
3 (3.36)
2.6
6.2
*
Onderwijs 
4 (4.25)
5 (4.12)
2.6
2.1
 
Non-profit organisatie 
5 (4.27)
4 (3.40)
3.8
11.9
**
Zelfstandig ondernemer
6 (4.69)
6 (5.22)
6.4
2.1
**
Geen werk
7 (6.69)
7 (6.72)
3.8
2.1
 

 

Invloed op rangorde

Bij de rangordening van werkgevers spelen bij vrouwelijke medische wetenschappers de samenwerking met anderen en de mogelijkheden om werk en zorg te combineren een grotere rol dan bij mannelijke medische wetenschappers. Die laten hun rangorde meer beïnvloeden door maatschappelijke status, internationale contacten en salaris dan hun vrouwelijke collega's.
 
Invloed op rangorde

(rangorde mannen)

mannen gem.
vrouwen gem.
rangorde

vrouwen

signif.
1. Intellectuele uitdaging
5.92
5.59
2
 
2. Zelfstandigheid 
5.76
5.42
3
 
3. Benutten van eigen vaardigheden
5.69
5.79
1
 
4. Carrièreperspectieven 
4.95
4.83
5
 
5. Internationale contacten
4.87
4.39
8
*
6. Maatschappelijke bijdrage
4.73
4.73
6
 
7. Scholingsmogelijkheden 
4.60
4.66
7
 
8. Samenwerking met anderen 
4.52
5.00
4
*
9. Werktijden 
4.33
4.14
9
 
10. Werkdruk
3.83
3.53
11
 
11. Maatschappelijke status
3.80
3.22
13
*
12. Invloed op beleid van organisatie
3.59
3.44
12
*
13. Salariëring 
3.56
2.98
14
 
14. Mogelijkheid combineren werk en zorg
3.21
3.94
10
**

 

Kansinschatting

Mannelijke medische wetenschappers schatten hun kansen op de baan van hun eerste keuze even hoog in als hun vrouwelijke collega's, (3.48 respectievelijk 3.34 op een 5-puntsschaal).
 
Kansinschatting
man %
vrouw %
signif.
Hoge kansinschatting
52.6
42.9
 
Op basis van kwaliteiten
47.4
52.9
 
Op basis van posities
65.4
72.9